Het principe


Collectieve rechten werden voor het eerst opgenomen in onze wetgeving in de wet op het auteursrecht van 30 juni 1994.

Gezien de technologische vooruitgang, en de stijgende ‘consumptie’ van beschermde werken, heeft de wetgever zeer terecht geoordeeld dat het, in bepaalde specifieke gevallen, zowel voor de auteur als voor de gebruiker van beschermde werken onmogelijk was voor elk gebruik de toestemming te geven en te bekomen, en daarbij ook een prijs af te spreken.

Stel dat men voor elke fotokopie de auteur moet contacteren om zijn toestemming te vragen en om met hem een prijs overeen te komen. Idem voor elk boek dat uitgeleend wordt in de bibliotheek met daarin werken van deze auteur, of voor elk liedje dat u op uw smartphone wil opslaan, enz,.

Daarom heeft de wetgever dan ook beslist om bepaalde mechanismes in te voeren waardoor de toestemming van de auteur niet nodig is: het gebruik van de werken gebeurt vrij, mits het betalen van een vergoeding aan de auteur. Het zijn de beheersvennootschappen die verantwoordelijk zijn voor de inning van deze vergoedingen (collectieve rechten) en die ervoor zorgen dat de auteur wordt uitbetaald.

Vandaar het uitgesproken belang voor elke auteur om aan te sluiten bij een beheersmaatschappij. Indien een auteur dit niet doet, dreigen zijn werken ontelbare keren gebruikt te worden zonder dat hij hiervoor ooit vergoeding krijgt.

De collectieve rechten bedragen per jaar, op Belgisch niveau, miljoenen euro’s.

Een goede raad dus voor elke auteur, professioneel of amateur : sluit u aan bij een beheersmaatschappij en geniet van de vruchten van uw arbeid.


Welke zijn die collectieve rechten ?

Het betreft hier de reprografierechten, de privé-kopie, en het leenrecht (zijnde de zogenaamde ‘wettelijke licenties’), en de kabelrechten.


Vindt u niet het antwoord op uw vraag ? Stuur ons uw vraag en wij antwoorden u zo spoedig mogelijk.

Bedankt!
Error: